Juryrapport Willem Adriaan Bongerprijs
Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Tijdschrift voor Criminologie heeft het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Criminologie (NVK) besloten om een bijzondere prijs toe te kennen aan een Nederlandse criminoloog die zich in de afgelopen vijftig jaar door zijn of haar werk een uitzonderlijke bijdrage heeft geleverd aan het vakgebied. Mede gelet op het thema van ons congres dit jaar – de publieke rol van de criminologie – hebben we in ons oordeel vooral ook de bijdrage betrokken die hij of zij als ‘public criminologist’ door middel van zijn of haar werk heeft geleverd aan het maatschappelijke debat over misdaad en straf.
Het meest prominente voorbeeld van een criminoloog die tevens als publieke intellectueel nationaal en internationaal aanzien heeft verworven, is zonder enige twijfel Willem Adriaan Bonger geweest. Om de founding father van de Nederlandse criminologie en publieke criminoloog par excellence te eren, hebben we voor deze speciale gelegenheid de Willem Adriaan Bonger Prijs in het leven geroepen.
Een jury bestaande uit Prof.dr. Chrisje Brants, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit Utrecht, Prof.dr. René van Swaaningen, hoogleraar internationale en comparatieve criminologie en Prof.dr. Willem de Haan, hoogleraar criminologie aan de Rijksuniversiteit Groningen - tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Criminologie (NVK) - heeft het op zich genomen om tot de keuze van een prijswinnaar te komen.
De jury heeft de term “criminoloog” breed opgevat, als een ieder die zich op academisch niveau op buitengewone wijze heeft beziggehouden met het fenomeen criminaliteit en/of de maatschappelijke reactie daarop, daarmee geen enkele discipline of type van wetenschapsbeoefening uitsluitend. Om voor de prijs in aanmerking te komen moet de betreffende criminoloog, naar het oordeel van de jury, zich als origineel en onafhankelijk denker hebben gemanifesteerd op het vakgebied. Zijn of haar ideeën en publicaties moeten nationaal en internationaal van betekenis zijn. En hij of zij moet een stempel hebben gedrukt op zowel het wetenschappelijke als het maatschappelijke debat over misdaad en straf. Het laatste criterium, dat met het eerste samenhangt, heeft een kleine toelichting nodig. Onmiskenbaar is de wijze waarop over misdaad en straf wordt gedacht in zekere zin aan “modes” onderhevig, en menige criminoloog die de tijdgeest goed aanvoelt, drukt een (tijdelijk) stempel op het debat. Waar de jury hier echter aan denkt is aan de ontwikkeling en onderbouwing van een coherente nieuwe visie die de vanzelfsprekendheid van het heersende discours juist ter discussie stelt – een onafhankelijke en originele kijk op de materie waaraan destijds niet kon, maar ook nu niet kan worden voorbijgegaan.
De jury heeft het werk van acht Nederlandse criminologen besproken en aan de genoemde criteria getoetst, en is tot de conclusie gekomen dat één persoon hieraan bij uitstek voldoet. Iemand wiens bijdrage aan het wetenschappelijke en maatschappelijke debat sporen heeft nagelaten in Nederland en daarbuiten; die ter gelegenheid van zijn oratie nieuwe ideeën tot een coherent geheel begon uit te werken die wetenschappelijk baanbrekend waren en op den duur ook politiek en beleid beslissend hebben beïnvloed. Het zijn ideeën die tot nadenken dwingen over de vanzelfsprekendheden waarop het denken over misdaad en straf berust en die prominent zichtbaar zijn in het wetenschappelijke discours in binnen- en buitenland.
Daarom heeft de jury unaniem besloten de W.A. Bongerprijs toe te kennen aan Louk Hulsman.
De naam van Hulsman is verbonden met de stroming die bekend staat als “abolitionisme” en zal daarom als vanzelfsprekend worden geassocieerd met de roep om het strafrecht af te schaffen. Het abolitionisme wordt tegenwoordig vaak als een luchtkasteel uit de jaren zeventig beschouwd. Daarmee wordt evenwel voorbijgegaan aan een aantal zaken die juist zo kenmerkend zijn voor de kwaliteit en de relevantie van het ideeëngoed van Hulsman en die hem als de jurist en criminoloog zo uitzonderlijk maken.
Ten eerste is Hulsman’s idee dat het strafrecht behoort te worden afgeschaft slechts de logische eindconclusie van achterliggende gedachten over samenleving, staat en recht, en de manier waarop met problemen en conflicten wordt omgegaan, waarvoor de kiem al ver voor de jaren zeventig werd gelegd toen Hulsman wetgevingsjurist was bij het ministerie van Justitie. De eerste wetenschappelijke vruchten daarvan zijn neergelegd in zijn oratie “Handhaving van recht” uit 1965 – voor velen toen (en zelfs nu) een eye opener – waarin hij betoogt dat de 'technicité' van het recht bepaalt aan welk handhavingssysteem een probleem of conflict wordt toegewezen: strafbare feiten zijn een gevolg van een wetgevende keuze, het enige verschil met niet-gecriminaliseerde ‘problematische gedragingen’ is het etiket. Als je die niet vooraf door strafbaarstelling in het hokje ‘criminaliteit’ drukt opent zich een veel wijder scala aan mogelijke reacties (een aanpak die hij in 1966 met verve verdedigde – overigens vergeefs – in een preadvies voor de Nederlandse Juristenvereniging over strafbaarstelling van corporate crime). Om deze reden neemt decriminalisering een centrale plaats in zijn werk in, al richtte hij zich in eerste instantie vooral op de destructieve en kostbare effecten van de vrijheidsstraf.
In “ De sanctie en zijn maat” uit 1968 gaat hij een stap verder: het is niet alleen de vrijheidsstraf, maar het strafrecht zelf dat het probleem is. Hij laat zien dat speciale preventie eerder belemmerd dan bevorderd wordt door de vrijheidsstraf, maar ook dat conflictoplossing door strafrecht in de weg wordt gezeten omdat een hogere instantie (de staat) het conflict wegneemt van de “eigenaren” ervan, en dat strafrecht vaak overmatige wraakgevoelens oproept en dus escalerend in plaats van deëscalerend werkt. Dit standpunt vormde de opmaat voor zijn latere werk, waarin het idee dat het strafrecht conflicten niet oplost maar juist bevordert een steeds centralere plaats zou innemen. Strenger straffen leidt tot nog meer stigmatisering en sociale uitsluiting. Het voorkomt geen criminaliteit maar werkt recidive in de hand. De contouren hiervan zijn uiteengezet in zijn gezaghebbende – en bijna veertig jaar na de verschijningsdatum nog steeds veel gelezen en voor studenten veelal verplicht! – “Kriteria voor strafbaarstelling” uit 1972. De criminologische implicaties worden belicht in zijn veel vertaalde en veel geciteerde “Critical criminology and the concept of crime” uit 1986 dat veel in Engelstalige publicaties wordt aangehaald; ook zeer recentelijk nog in 2006, 2007, 2008 en 2009.[1]
Ten tweede zijn deze uitgangspunten – die in wederzijdse bevruchting door Hulsman en buitenlandse criminologen als Nils Christie en Thomas Mathiesen ook van empirische ondersteuning werden voorzien en nader zijn verfijnd – van doorslaggevende betekenis geweest voor belangrijke beleidsterreinen. Doorgaans wordt wat de uitwerking in concrete beleidstermen betreft aan het Report on Decriminalisation van de Raad van Europa uit 1980 gedacht, en aan het liberale drugsbeleid waarin consumptie van soft- en harddrugs worden onderscheiden, waarvan Hulsman als grondlegger wordt beschouwd. Minder voor de hand liggend, maar van even groot belang, is de invloed van Hulsman op de uitbreiding van de mogelijkheden van transactie (en dus terugdringing van de vrijheidsstraf), met name ingeval van misdrijven, die in 1986 wettelijk werd vastgelegd. Die invloed was mede mogelijk omdat, tot begin jaren tachtig, het autonome en tegendraadse geluid van de Coornhert Liga – waarvan Hulsman mede-oprichter en grote inspirator was – het politieke en publieke discours over misdaad en straf niet zozeer beheerste als wel vergaand relativeerde.
Ten derde, Hulsman was ook nadrukkelijk een leermeester. Het was zij stellige overtuiging dat een zelfstandige, creatieve en kritische visie op de (strafrechtelijke) werkelijkheid alleen kon worden bereikt wanneer je het onderwijs ook zo inrichtte. Dit bracht hem tot invoering van activerend en internationaal gericht onderwijs in een tijd dat niemand daar nog belangstelling voor had. Vrijwel alles dat hij vanaf het einde van de jaren zeventig heeft geschreven is vertaald in vele talen. In het binnenkort te verschijnen boek ‘Key Thinkers in Criminology’ staan twee Nederlanders: Willem Bonger en… Louk Hulsman.[2] Het is veelzeggend dat juist deze twee – Bonger de naamgever en Hulsman de winnaar van de naar hem vernoemde prijs door buitenlandse collega’s worden geplaatst in de categorie van originele en onafhankelijke denkers die een sleutelrol hebben vervuld in de ontwikkeling van de criminologie. Zonder dat we dit met ‘harde’ citatie-indexen en impact-factoren kunnen staven, lijkt het ons aannemelijk dat Hulsman, misschien na Bonger, de meest geciteerde Nederlandse criminoloog is. In ieder geval is zijn betekenis in het buitenland groot. Met name in Frankrijk vooral aan het begin en het einde van zijn loopbaan, en in Latijns Amerika, waar het abolitionisme juist het laatste decennium een ware revival beleeft.
Ten vierde, tegen het belang van Hulsman en zijn ideeën wordt wel opgeworpen dat ze modieus waren en nu toch echt uit de tijd zijn. Dat is een misvatting. Hulsman was zeker een kind van zijn tijd en het is ook juist dat hij in de jaren zeventig gemakkelijk gehoor vond voor zijn “alternatieve visies” op het strafrecht. Echter het theoretische fundament waarvan Hulsman een relativering van strafrechtelijk ingrijpen voorzag, is nog altijd relevant, ook voor wie zijn vergaande conclusie van afschaffing van het strafrecht niet zou willen delen. Het strafrechtklimaat is verhard en in het Nederlandse beleid is momenteel weinig politieke ruimte om van strafrechtstoepassing als panacee voor alle mogelijke maatschappelijke problemen af te zien. Wie die verharding niet als vanzelfsprekend wenst te aanvaarden en steekhoudende kritiek wil leveren op het gemak waarmee het strafrecht nationaal en in Europees verband wordt geïnstrumentaliseerd, kan niet anders dan ook Hulsmans werk ter hand te nemen. Vaak wordt hij gezien als wegbereider van mediation en andere vormen van herstelrecht. Er is echter nog een, ander, misschien wat onverwacht terrein waarop we de invloed zien van Hulsmans kritische denken over de zin en legitimiteit van een strafrechtelijke reactie die het conflict ontvreemdt van de samenlevingen, daders en slachtoffers waar het thuishoort: het internationale strafrecht en het politieke, juridische en criminologische debat over – transitional justice. In dat debat wordt vooral gezocht naar oplossingen voor de grote conflicten die misdrijven tegen de menselijkheid achterlaten, die niet op negatieve wijze naar het verleden kijken, maar op positieve naar de toekomst en rekening houden met de maatschappelijke realiteit waarin zulke misdrijven plaatsvinden. Wie zich in dat debat begeeft kan, zonder het wiel opnieuw uit te vinden, niet om het werk van Hulsman en andere abolitionisten heen. Hun invloed is dan ook duidelijk te bespeuren in de pogingen van criminologen als John Braithwaite om een antwoord op internationale criminaliteit te vinden dat niet alleen uit law maar vooral ook uit justice bestaat.
Hulsman heeft zich, voor zover wij weten, zelf niet op dit terrein begeven, maar hij zou er zich thuis hebben gevoeld, want hij was veel meer dan een criminoloog die de tijdgeest goed aanvoelde. Hij stond voor een samenleving die niet op de uitsluiting en stigmatisering maar op insluiting en erkenning van diversiteit gebaseerd is. Gedurende zijn hele loopbaan heeft hij dit onorthodoxe gedachtegoed verder ontwikkeld en met passie uitgedragen. Ook toen het politiek niet meer opportuun en maatschappelijk niet meer bon ton was, is hij dat met inzet en overtuiging blijven doen. Hulsman was een denker die in alles een leermoment zag en altijd naar andere mogelijke verklaringen en oplossingen zocht. Als zodanig is hij een voorbeeld van het type publieke criminoloog waarvoor momenteel aan Nederlandse universiteiten nauwelijks plaats meer is. Hij was het type originele en onafhankelijke denker dat de criminologie nodig heeft en zal blijven hebben, om scherp en kritisch maar ook maatschappelijk en wetenschappelijk in balans te blijven. Door Louk Hulsman te eren wil de jury dat graag onderstrepen.
Tot onze spijt hebben we prijs postuum moeten toekennen omdat Louk op 28 januari jl. is overleden. Wij hebben Marianne de echtgenote van Louk en zijn dochter Jehanne bereid gevonden de Willem Adriaan Bonger prijs in ontvangst te nemen. Marianne is Louk op alle mogelijke manier tot steun geweest en Jehanne veel heeft na zijn dood van alles gedaan om zijn gedachtengoed levend te houden. Om aan dat laatste ook een bijdrage te leveren, heeft de jury het initiatief genomen tot de uitgave van een selectie uit het werk van Louk Hulsman. Dit boek onder redactie van John Blad, Chrisje Brants en René van Swaaningen zal volgend jaar verschijnen bij Boom juridische uitgeverij. Ook voor de Bonger prijs hebben we een aandenken in de vorm van een passend sculptuur dat ik nu graag aan Marianne zou willen overhandigen.
http://www.loukhulsman.org/index_nl.html
video: 6.50 – 10.46 (4 minuten)
[1] Shiner, Roger A. (2009) Theorizing Criminal Law Reform. Criminal Law and Philosophy; Goff, Colin (2008) The Michael-Adler report (1933): Criminology under the microscope. Journal of the History of the Behavioral Sciences 44(4): Pemberton, Simon (2007) Social harm future(s): exploring the potential of the social harm approach. Crime Law and Social Change; Pavlich, George (2006) The lore of criminal accusation. Criminal Law and Philosophy.
[2] Keith Hayward, Jayne Mooney & Shadd Maruna (red.) Key Thinkers in Criminology. Abingdon: Routledge 2009.